Volgen ontwikkeling

Algemeen

De zorg voor de leerling is in eerste instantie een aangelegenheid van de klassenleerkracht, die zoveel mogelijk probeert in te spelen op diverse wilsrichtingen van de kinderen. Dat betekent dat de leerkracht een breed palet aan didactische, methodische en pedagogische werkwijzen inzet. Binnen de klas worden een leergemeenschap in gericht waarin ook voor kinderen met een behoefte aan extra instructie een plek is. Extra hulp is zo bezien een deel van het leerproces van alle kinderen. Zij helpen elkaar verder in het streven samen beter te worden en individuele talenten tot hun recht te laten komen. Noch de zwakken noch de begaafden worden geïsoleerd. In de leer- en werkstijl van ieder kind leeft de wens een bijdrage te leveren aan het geheel.

Een zorgkind wijst niet alleen op een gebrek, maar ook op de positieve kant van dat ogenschijnlijke gebrek.

Wie begaafd is wil het gevonden principe kunnen toepassen in een praktische constructie ten dienste van het geheel van de klas. Denken en doen hangen met elkaar samen. Wie dyslectisch is heeft vanuit datzelfde dyslectische ook een talent en wil van daaruit ook zijn bijdrage leveren aan de klas en wil bijvoorbeeld de zaken bewegelijk en van meerdere kanten bekijken.

De leerlingenbespreking

Langs de methodische weg van het ‘inlevend waarnemen’ wordt de voorlopige wilsrichting van een leerling gezocht. Het doel is om tot pedagogisch-didactische tips te komen die een nieuwe ontwikkeling kunnen inzetten.

Ouders kunnen aan de bespreking deelnemen. Verslaglegging vindt plaats en wordt bewaard in het leerlingendossier. Deze leerlingenbesprekingen zijn bovendien een belangrijk instrument in het oefenen van de pedagogische vaardigheden en grondhouding van leerkrachten en ouders.

Getuigschriften

Aan het eind van het schooljaar krijgen de leerlingen van klas 1 t/m 6 een getuigschrift mee. Dit getuigschrift bevat een geschreven verslag over de ontwikkeling van het kind gedurende het afgelopen schooljaar. Er staan geen cijfers in. Daarnaast wordt beschreven, wat het kind het afgelopen jaar geleerd heeft en waar nog eventuele hiaten zitten. Het getuigschrift is ook een werkdocument waarvan het daaropvolgende jaar gebruik kan worden gemaakt. Het beschrijft dan de wijze waarop de leerling voor het komende jaar in zijn wilsrichting zou kunnen worden ondersteund. Tenslotte bevat het getuigschrift een voor het kind in beeld- of spreukvorm beschreven aansporing zijn eigen wilsimpuls op te pakken.

Klassenbespreking

Eenmaal per jaar en verder indien gebeurtenissen daartoe aanleiding geven, worden de klassen besproken in de pedagogische werkvergadering. Het gaat er hierbij om de wilsrichting van de klas te pakken. Daardoor verschijnt de dynamiek van de klas. Daarnaast verwerven leerkrachten inzicht in het functioneren van de klas op cognitief-kunstzinnig en sociaal-emotioneel gebied. Het doel is de klas als geheel een stap verder te brengen in zijn ontwikkeling.

Leerlingvolgsysteem

Om de ontwikkeling van elke leerling goed te volgen hanteren wij een leerlingvolgsysteem. De leerkrachten reflecteren regelmatig op de ontwikkeling van de leerlingen, maken notities van vorderingen in het periodeonderwijs, de oefenuren en de vaklessen.

Naast de eigen doorgaande reflectie maakt de leerkracht gebruik van toetsmomenten. Hij ontwikkelt zelf toetsen die passen bij het karakter van het periodeonderwijs en maakt gebruik van gestandaardiseerde landelijke toetsen.

In de kleuterklas volgt men de ontwikkeling door waarnemingen m.b.v. observatielijsten.

Dit alles helpt de leerkracht de totale ontwikkeling van de leerling in beeld te brengen. Zowel ontwikkelingsvragen als cognitieve worden zo in kaart gebracht.

Daarbij helpt het handelingsplannen op te stellen vanuit leerkrachthandelingen beschreven; zo concreet mogelijk en gericht op de korte termijn en een direct resultaat. Daarnaast komt de ontwikkelingsvraag vanuit de wilsrichting in beeld waar de leerkracht samen met zijn collega’s en de ouders van de leerling langere tijd mee zal werken. Deze ontwikkelingsvraag staat centraal in het vijftien-minuten-gesprek dat twee maal per jaar plaatsvindt.

Van ieder kind wordt een dossier bijgehouden. Dit dossier bevat alle belangrijke gegevens over de leerling. Iedere ouder heeft het recht om het dossier van het eigen kind in te zien. De dossiers worden zorgvuldig beheerd door de leerkrachten en de intern begeleider voert de eindverantwoordelijkheid.

Kinderen, die om welke reden dan ook opvallen, worden in de pedagogische werkvergadering waar mogelijk met de ouders erbij nader besproken.

Bij de overgang van de kleuterklas naar eerste klas, maken we gebruik van het leerrijpheidsonderzoek ontwikkeld door de Schoolbegeleidingsdienst voor Vrijescholen. In de eerste klas begint immers een andere ontwikkelingsfase van het kind. Het is een onderzoek dat in het voorjaar wordt afgenomen.

Om een kind vanaf de eersteklas-leeftijd goed in zijn cognitieve ontwikkelingsgang te kunnen volgen, wordt twee keer per jaar op lezen, taal en rekenen getoetst. De toetsen worden afgenomen door de klassenleerkracht, de remedial teacher of de intern begeleider en zijn landelijk genormeerd.

Vanaf klas 3 worden de vorderingen van de leerlingen op het gebied van begrijpend lezen eenmaal per jaar getoetst . Ook hiervoor worden landelijk genormeerde toetsen gebruikt.

De intern begeleider bespreekt de resultaten met het team. De leerkracht bespreekt de resultaten in het vijftien-minuten-gesprek met de ouders.

Specifieke onderdelen, genoemd in het dyslexieprotocol, worden opgenomen in het leerlingvolgsysteem.

Resultaten van het onderwijs

Schoolkeuze voortgezet onderwijs

In de zesde klas wordt in de loop van het schooljaar door de klassenleerkracht en de interne begeleider samen met de ouders gekeken naar de schoolkeuze van de leerling na het verlaten van onze school. De klassenleerkracht heeft zich in de loop van de tijd een beeld gevormd over de leerling. Daarbij wordt gekeken hoe het kind zich in de loop van de schoolperiode als persoon heeft ontwikkeld en hoe de ontwikkeling is geweest op het gebied van kennis en vaardigheden. Naast dit beeld van de klassenleerkracht (mede ontstaan in overleg met collega’s) wordt er een onafhankelijke eindtoets afgenomen. Scholen voor voortgezet onderwijs zijn wettelijk verplicht bij aanname van leerlingen gebruik te maken van een toets door een onafhankelijke instantie.

Eindtoets

Wij zijn van mening dat het toetsen van leerlingen werkelijk iets moet toevoegen. Wij waken voor een overtoetsing van leerlingen. Met de eindtoets kiezen we ervoor ons aan te sluiten bij de Enschedese structuur en zijn daarover tevreden.

De Noorderkroon doet mee aan het EEG8 ( Enschedees Eindonderzoek groep 8). Dit is een onderzoek waaraan alle Enschedese basisscholen deelnemen. Het is een initiatief van de Enschedese scholen voor voortgezet onderwijs. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Geldergroep uit Hengelo. Het eerste deel van dit onderzoek bestaat uit een zgn. capaciteitenonderzoek, waarvoor gebruik gemaakt wordt van  NIO.

De test geeft een indicatie van de mogelijkheden van het kind en geeft bovendien een eerste indicatie van de opleiding na de basisschool. Het tweede deel van het onderzoek is een onderzoek naar de schoolvorderingen van de leerling, daarbij wordt gebruik gemaakt van toetsen die voor een deel ook binnen onze school al gebruik worden in het kader van het Leerling Volg Systeem. Bovendien wordt er door de leerkracht nog de Apeldoornse Vragenlijst (AVL) ingevuld, deze lijst is bedoeld om zicht te krijgen op de begeleidingsbehoefte van de individuele leerling. De leerling zelf vult de SVL in. Een vragenlijst die inzicht geeft in het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling.

Het EEG8 is zo samengesteld dat mocht een leerling in aanmerking komen voor l.w.o.o. (Leerweg ondersteunend onderwijs) er niet nog extra onderzoek hoeft plaats te vinden. De Geldergroep rapporteert vervolgens naar school en ouders omtrent de resultaten van het onderzoek en op basis hiervan geeft zij een indicatie van de passende opleiding na de basisschool. Hierna vinden de gesprekken plaats met de ouders over het uiteindelijke schoolkeuzeadvies.

Voor de ouders van de zesde klas wordt in het najaar en vroeg in het schooljaar een ouderavond gehouden, waarin informatie gegeven wordt over het voortgezet onderwijs en deelname aan het EEG8.

Vervolgonderwijs

Omstreeks januari, februari vinden er schoolkeuze gesprekken plaats met de ouders. In maart vindt dan de aanmelding bij de school voor voortgezet onderwijs plaats en wordt het onderwijskundig rapport door de leerkracht ingevuld. Om een indruk te krijgen waar onze leerlingen naar toe gaan, volgen hier de percentages over de afgelopen jaren:

Schoolsoort
VMBO gemengde leerweg 14%
VMBO theoretische leerweg 43%
HAVO, VWO, Gymnasium 43%

Voortgezet Waldorfonderwijs

De bovenbouw van een Waldorfschool begint met een eerste jaar dat klas 7 wordt genoemd. Daarmee stapt de leerling het voortgezet onderwijs binnen. Vanwege een belangrijke plaats van de mentor of klassenleerkracht noem we de eerst twee jaren van het VO ook wel ‘middenbouw’. Het zijn de eerste twee jaren van het VO waarin de leerlingen nog een extra ondersteuning krijgen. Dat kan in Borne op de Waldorfstroom of Vrijeschoolstroom binnen het Carmel (in de klassen 7 en 8), maar ook in Zutphen (de klassen 7 t/m 12). Daar wordt afgesloten op mavo, havo en vwo niveau. Ook Enschedese leerlingen bezoeken de Zutphense bovenbouw.